Hebban olla vogala is lange tijd aangemerkt als de oudst bekende zin in het Oudnederlands. Het is een interlineaire quasi-glosse, die in 1932 in Oxford door de Engelse germanist Kenneth Sisam werd ontdekt op de laatste bladzijde van een Oudengels prekenhandschrift uit de abdij van Rochester (Oxford, Bodleian Library, ms.340 fol. 169v).
De tekst, die werd geschreven door een West-Vlaamse kopiist, dateert naar schatting uit het derde kwart van de 11e eeuw. De eerste twee zinnen zijn in het Latijn. De taal waarin de rest van de tekst geschreven is wordt door de meeste taalkundigen als Oud-Westnederfrankisch aangeduid, maar hierover bestaat nog controverse.
De zin luidt:
Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu
Het is de vertaling van de Latijnse paralleltekst die ervoor staat:
Habent omnes uolucres nidos inceptos nisi ego et tu. Quid expectamus nunc.
De vertaling zou luiden:
Hebben alle vogels nesten begonnen, behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?
Gerrit Komrij beschouwt de regel als de eerste Nederlandse poëzie en wijdt er in zijn boek In Liefde Bloeyende een geheel hoofdstuk aan.
Er zijn meerdere interpretaties mogelijk:
Als liefdesgedicht of liefdesliedje: de auteur verlangt ernaar een gezin te stichten, zoals de vogels in de lente hun nest bouwen;
Religieuze beeldspraak: de schrijver (naar men aanneemt een geestelijke) drukt zijn verlangen uit om opgenomen te worden in de gemeenschap (van een abdij) of in het huis van God.


Laatste reacties